186 · A1–C2

Engelse onregelmatige werkwoorden

Onregelmatige werkwoorden krijgen in de verleden tijd geen -ed. Hier zijn de 186 werkwoorden uit de app Irregular Verbs met hun drie vormen en hun ERK-niveau, van A1 (beginner) tot C2 (zeer vaardig). Kies een werkwoord voor de betekenis en een voorbeeld.

Onregelmatige werkwoorden per patroon

BasisvormPast simpleVoltooid deelwoordBetekenisNiveau
alightalitalituitstappenC1
arisearosearisenontstaan, zich voordoenC1
awakeawokeawokenontwakenC1
bewas of werebeenzijnA1
bearboreborn of bornedragen, verdragenC1
beatbeatbeatenslaanB1
becomebecamebecomewordenA2
begetbegotbegottenverwekkenC2
beginbeganbegunbeginnenA1
beholdbeheldbeheldaanschouwenC1
bendbentbentbuigenB2
betbetbetweddenB1
bidbidbidbiedenC2
bindboundboundbindenC2
bitebitbittenbijtenB1
bleedbledbledbloedenB1
blowblewblownwaaien, blazenB1
breakbrokebrokenbrekenA2
breedbredbredfokken, zich voortplantenB2
bringbroughtbroughtbrengenA2
broadcastbroadcastbroadcastuitzendenB2
buildbuiltbuiltbouwenA2
burnburntburntbrandenB1
burstburstburstbarstenB2
buyboughtboughtkopenA1
castcastcastwerpenC2
catchcaughtcaughtvangenA2
chidechidchid of chiddenberispenC2
choosechosechosenkiezenA1
cleavecleft of cleaved of clovecleft of cleaved of clovensplijten, klievenC2
clingclungclungzich vastklampenC2
clothecladcladkledenC1
comecamecomekomenA1
costcostcostkostenA2
creepcreptcreptsluipen, kruipenC2
cutcutcutsnijdenA2
dealdealtdealthandelen, delenB1
digdugduggravenB1
divedovedivedduikenB1
dodiddonedoenA1
drawdrewdrawntekenenA1
dreamdreamtdreamtdromenA2
drinkdrankdrunkdrinkenA1
drivedrovedrivenrijden, besturenA1
dwelldweltdweltwonen, verblijvenC1
eatateeatenetenA1
fallfellfallenvallenA2
feedfedfedvoeden, voerenB1
feelfeltfeltvoelenA1
fightfoughtfoughtvechtenB1
findfoundfoundvindenA1
fitfitfitpassenB1
fleefledfledvluchtenC1
flingflungflungsmijtenC1
flyflewflownvliegenA1
forbidforbadeforbiddenverbiedenB2
forgetforgotforgottenvergetenA2
forgiveforgaveforgivenvergevenB1
forsakeforsookforsakenin de steek latenC2
freezefrozefrozeninvriezen, bevriezenB1
getgotgot of gottenkrijgenA1
givegavegivengevenA1
gowentgonegaanA1
grindgroundgroundmalen, slijpenC1
growgrewgrowngroeienA2
hanghunghunghangenB1
havehadhadhebbenA1
hearheardheardhorenA1
hidehidhiddenverstoppenB1
hithithitslaan, rakenA2
holdheldheldvasthoudenA2
hurthurthurtpijn doen, verwondenA2
keepkeptkepthouden, bewarenA2
kneelkneltkneltknielenB2
knitknitknitbreienB1
knowknewknownweten, kennenA1
laylaidlaidleggenB1
leadledledleidenB1
leanleantleantleunenB2
leapleaptleaptspringenC2
learnlearntlearntlerenA1
leaveleftleftverlaten, vertrekkenA1
lendlentlentlenen, uitlenenB1
letletletlatenA2
lielaylainliggenB1
lightlitlitverlichtenB1
loselostlostverliezenA2
makemademademakenA1
meanmeantmeantbetekenenA2
meetmetmetontmoetenA1
mistakemistookmistakenverwarren, zich vergissenB1
paypaidpaidbetalenA1
pleadpledpledsmeken, pleitenC2
proofreadproofreadproofreadcorrigeren, proeflezenC2
putputputzetten, leggenA1
quitquitquitverlaten, stoppenB1
readreadreadlezenA1
rendrentrentscheurenC2
ridridridontdoen van, bevrijdenB2
rideroderiddenrijdenA2
ringrangrungrinkelen, luidenB1
riseroserisenstijgen, opstaanB1
riverivedrivensplijtenC2
runranrunrennenA1
sawsawedsawnzagenC2
saysaidsaidzeggenA1
seesawseenzienA1
seeksoughtsoughtzoekenC1
sellsoldsoldverkopenA2
sendsentsentsturenA1
setsetsetzetten, plaatsenB1
sewsewedsewnnaaienB1
shakeshookshakentrillen, schuddenB1
shaveshavedshavenscherenB2
shearshearedshornscherenC2
shedshedshedvergieten, verliezenC1
shineshoneshoneschijnenB1
shoeshod of shoedshod of shoedbeslaanC2
shootshotshotschietenB1
showshowedshowntonen, laten zienA2
shrinkshrankshrunkkrimpenB2
shutshutshutsluitenB1
singsangsungzingenA1
sinksanksunkzinkenB1
sitsatsatzittenA1
slayslewslaindoden, verslaanC2
sleepsleptsleptslapenA1
slideslidslidglijdenC1
slingslungslungslingerenC2
slinkslunkslunksluipenC2
slitslitslitopensnijden, insnijdenC2
smellsmeltsmeltruikenB1
smitesmotesmittenslaanC1
sneaksnucksnucksluipenC2
sowsowedsownzaaienC1
speakspokespokensprekenA1
speedspedspedsnel rijden, racenC1
spendspentspentuitgeven, doorbrengenA2
spellspeltspeltspellenA2
spillspiltspiltmorsenB1
spinspunspundraaienC1
spitspatspatspugenC2
splitsplitsplitsplijten, splitsenB1
spoilspoiltspoiltbederven, verwennenB1
spreadspreadspreadspreiden, verspreidenB2
springsprangsprungspringenC2
standstoodstoodstaanA2
stealstolestolenstelenA2
stickstuckstucksteken, plakkenB1
stingstungstungstekenB2
stinkstankstunkstinkenC1
strewstrewedstrewnstrooienC1
stridestrodestriddenschrijden, beendenC1
strikestruckstruck of strickenslaanB2
stringstrungstrungrijgen, ophangenC2
stripstrippedstrippeduitkleden, strippenC1
strivestrovestrivenstrevenC2
swearsworeswornzwerenB2
sweatsweatsweatzwetenB2
sweepsweptsweptvegenC1
swellswelledswollenzwellenB2
swimswamswumzwemmenA2
swingswungswungschommelen, zwaaienC1
taketooktakennemen, pakkenA1
teachtaughttaughtleren, onderwijzenA1
teartoretornscheurenB1
telltoldtoldvertellenA1
thinkthoughtthoughtdenken, vindenA1
thrivethrovethrivengedijenC1
throwthrewthrowngooienA2
thrustthrustthrustduwen, stotenB2
treadtrodtroddentreden, stappenC2
undergounderwentundergoneondergaanC1
understandunderstoodunderstoodbegrijpenA2
undertakeundertookundertakenondernemenC1
wakewokewokenwakker wordenA2
wearworeworndragenA2
weavewovewovenwevenC1
wedwedwedtrouwenC1
weepweptwepthuilenC2
wetwetwetnat makenB2
winwonwonwinnenA2
windwoundwoundwinden, opwindenB2
withdrawwithdrewwithdrawnterugtrekkenC1
wringwrungwrungwringenC1
writewrotewrittenschrijvenA1