Gids

Engelse onregelmatige werkwoorden leren: een praktische methode

Er is geen regel die je vertelt dat de verleden tijd van go went is. Toch hoef je onregelmatige werkwoorden niet één voor één in willekeurige volgorde te leren. Hier is een methode die aansluit bij de manier waarop deze werkwoorden in elkaar zitten.

Begin met de werkwoorden die je het meest gebruikt

Je hoeft niet alle onregelmatige werkwoorden tegelijk te kennen. De app Irregular Verbs bevat 186 werkwoorden, elk met een ERK-niveau van A1 (beginner) tot C2 (zeer vaardig). Begin met de 70 werkwoorden van A1 en A2: be, have, do, go, get, make, say, see, take en de rest. Die komen in bijna elk gesprek voor, dus je oefent ze telkens als je Engels spreekt of leest.

Gaan die makkelijk, ga dan verder met de werkwoorden van B1 en daarna met de hogere niveaus. Werkwoorden van C2, zoals smite of beget, kom je vooral tegen in literatuur en formele teksten, dus die kunnen wachten.

Leer ze in groepen, niet op alfabet

Een alfabetische lijst zet begin naast bend, twee werkwoorden die op totaal verschillende manieren veranderen. Groepeer de werkwoorden liever naar de manier waarop hun vormen veranderen. De meeste onregelmatige werkwoorden passen in een van vier patronen:

  • AAA: alle drie de vormen zijn gelijk, zoals cut, cut, cut of put, put, put.
  • ABB: de past simple en het voltooid deelwoord zijn gelijk, zoals bring, brought, brought. Dit is de grootste groep in de app.
  • ABA: het voltooid deelwoord is gelijk aan de basisvorm, zoals come, came, come. Dat doen maar een paar werkwoorden.
  • ABC: alle drie de vormen zijn verschillend, zoals begin, began, begun.

Zoek binnen elke groep naar kleinere families die op dezelfde manier veranderen. Veel werkwoorden met een i in de basisvorm krijgen in de past simple een a en in het voltooid deelwoord een u:

BasisvormPast simpleVoltooid deelwoordBetekenisNiveau
singsangsungzingenA1
ringrangrungrinkelen, luidenB1
drinkdrankdrunkdrinkenA1
swimswamswumzwemmenA2
sinksanksunkzinkenB1

Een andere familie eindigt in beide verleden vormen op -ought of -aught:

BasisvormPast simpleVoltooid deelwoordBetekenisNiveau
bringbroughtbroughtbrengenA2
buyboughtboughtkopenA1
thinkthoughtthoughtdenken, vindenA1
fightfoughtfoughtvechtenB1
catchcaughtcaughtvangenA2
teachtaughttaughtleren, onderwijzenA1

Ken je één werkwoord uit een familie, dan kosten de andere veel minder moeite.

Zeg de drie vormen altijd samen

Leer go, went, gone als één geheel, als een kort rijtje dat je opdreunt, in plaats van alleen go. Als je later het voltooid deelwoord nodig hebt, brengt het ritme het vanzelf terug. Zeg de vormen ook hardop: horen helpt, vooral bij werkwoorden waarvan de spelling en de uitspraak niet overeenkomen, zoals buy, bought, bought.

Gebruik elk werkwoord in een zin

Een vorm die je alleen in een lijst hebt gezien, is moeilijk te gebruiken in een gesprek. Lees bij elk nieuw werkwoord een voorbeeld en schrijf dan twee eigen zinnen: een met de past simple en een met het voltooid deelwoord.

  • I began the course in May. I have begun three courses this year.
  • She wrote a letter. She has written to him every week.

Elke werkwoordpagina op deze site toont de voorbeeldzin uit de app en de betekenis van het werkwoord in het Nederlands, zodat je kunt nagaan wat een werkwoord betekent voordat je het gebruikt.

Test jezelf elke dag een beetje

Een vorm herkennen is makkelijker dan hem zelf bedenken. Dek de laatste twee kolommen van een lijst af en zeg ze uit je hoofd op, of vraag iemand om je de basisvormen voor te lezen. Met korte, regelmatige oefenmomenten kom je bij elk werkwoord terug voordat je het vergeet.

Daar is de app Irregular Verbs voor gemaakt: blader door de lijst, leer met flashcards en test jezelf op de drie vormen, in een paar minuten per dag.

Let op de bekende fouten

  • Het voltooid deelwoord los gebruiken: I seen it moet I saw it of I have seen it zijn. Zie past simple of voltooid deelwoord.
  • -ed toevoegen aan een onregelmatig werkwoord: buyed moet bought zijn, en teached moet taught zijn.
  • Werkwoorden die op elkaar lijken door elkaar halen: lie, lay, lain (liggen) en lay, laid, laid (iets neerleggen).

Onregelmatige werkwoorden per ERK-niveau

Onregelmatige werkwoorden per patroon